Gooi onderwijs en jeugdhulp overhoop

Leestijd: 8 minuten
Geschreven door: Berber Vreugdenhil

‘Laat varen de hoop, gij die hier binnentreedt’. Een uitspraak van Dante die door een leerling naast de ingang van zijn school op de muur werd gekalkt. Bert Wienen schetst een beeld van de huidige samenleving en de invloed daarvan op ons onderwijs. Met als kern: je moet het de hele dag goed doen en er is geen ruimte voor falen, ontwikkeling of sociale verbeelding.

In een indrukwekkend betoog met veel voorbeelden werkt Wienen dit uit. En wijst hij op een uitweg: gooi onderwijs en jeugdhulp overhoop. En word als de brandweer.

Wat is normaal?

Wat - vaak impliciet - als een ‘normaal’ kind wordt verondersteld, wordt duidelijk als we kijken naar spiegels waarin kinderen en jongeren kijken als zij opgroeien, vertelt Wienen. Een van die spiegels is die van gezondheid. In allerlei campagnes en (overheids)rapporten klinkt de boodschap dat je daar zelf verantwoordelijk voor bent. Zowel voor je fysieke als voor je mentale gezondheid. Door juiste, gezonde keuzes te maken. Lukt dat niet? Dan moet je naar een arts of naar een coach, die je kan helpen om op een goede manier naar het leven te kijken.

Een andere spiegel: presteren. Het móet goed gaan op school. Steeds vaker zijn kinderen onderdeel van wedstrijdjes. Een voorbeeld van de impact van (het kijken naar) 'wedstrijdjes': Leerlingen zijn op hun laptop met rekenen aan de slag. De juf houdt op haar computer bij hoeveel fouten leerlingen maken door te kijken naar het aantal kruisjes dat achter een naam van een leerling verschijnt. Een van de leerlingen loopt ineens de klas uit. Wat blijkt? Van Holland’s Got Talent heeft hij geleerd: bij vier kruisjes lig je eruit en moet je weg.Om te leren omgaan met de druk die dit met zich meebrengt bieden steeds meer scholen yoga en mindfulness aan. Als je last van stress hebt, heb je je brein niet goed in de hand. Ga maar in jezelf werken aan jezelf.

Deze twee spiegels werken op elkaar in en komen tot een beeld van wat normaal zou zijn: de combinatie van gezond zijn en presteren, waarbij je voor beide zelf verantwoordelijk bent.

Gevolgen en remedies

Ondertussen neemt het aantal zogenaamde FOP-stoornissen toe: faalangst, onzekerheid en perfectionisme. Met allerlei daaraan gerelateerde verschijnselen zoals eetstoornissen, zelfverwonding, depressie, overprikkeling, angst of hoogsensiviteit.Ze hebben alle dezelfde grondtoon: willen voldoen aan een ideaal, terwijl je de overtuiging hebt dat dat nooit zal lukken. Dit zijn we prestatiedruk gaan noemen. Anderen lijden juist aan onderprestatiedruk. Zij hebben geen verwachtingen meer van zichzelf en van het leven en willen niet voldoen aan het ideaal dat hen voorgespiegeld wordt.

Deze problemen worden gesignaleerd, gelukkig. De pogingen om hier een weerwoord aan te bieden tappen echter vaak uit hetzelfde vaatje als de oorzaak van de problemen. Kinderen onder de drie jaar worden getest op hun stressniveau. Jongeren die vermoeden dat zij mogelijk over een jaar suïcidaal of verslaafd zouden kunnen raken wordt aangeraden om nu alvast in behandeling te gaan. Het onderwijs wordt regelmatig opgeroepen om jongeren weerbaarder te maken en les te gaan geven in mentale gezondheid.

Inclusie vorm 1: individu

Inclusie kent twee vormen. De eerste start bij het individu: wat heb jij (nog meer) nodig om mee te kunnen doen? In Nederland is deze vorm dominant. Daar zijn we in terechtgekomen door de overgang van de commandosamenleving naar de prestatiesamenlevingnaar filosoof Byung Chul Han. In een prestatiesamenleving leggen we onszelf allemaal (dezelfde) normen op. Een voorbeeld: een van de doelen van passend onderwijs is dat elk kind het beste uit zichzelf haalt. In een dergelijke samenleving is geen sprake meer van moeten, maar van kunnen. Kunnen is echter onbegrensd. En zo voldoe je nooit.

Bij kinderen en jongeren die niet aan de normen lijken te voldoen, wordt op verschillende manieren van ‘ons’ probleem een kindprobleem gemaakt. Door bijvoorbeeld simpelweg te stellen dat het criminelen zijn, of dat ze niet gemotiveerd zijn, dat het een ingewikkelde populatie of generatie is. Of, en met name dat heeft in onderwijs en jeugdhulp een grote vlucht genomen, door problemen te bespreken in psychologische taal. Dit begint altijd met: deze leerling ‘heeft’ dit of dat. Vervolgens moet dat verder uitgezocht worden en móet dat behandeld worden. En moet een specifiek of bijzonder onderwijsaanbod worden aangeboden. Weerstanden worden zoveel mogelijk weggenomen en de focus ligt op het individu.

Inclusie vorm 2: context

Wienen pleit vanuit pedagogisch-didactische uitgangspunten echter voor een tweede vorm van inclusie. Deze start bij de context: hoe bouwen wij contexten met expertise, tijd en ruimte waaraan zoveel mogelijk kinderen en jongeren mee kunnen doen? Als dat niet lukt, laat je de leerling weten dat dat niet aan hen ligt, maar aan onze keuzes. Als een leerling niet goed mee lijkt te kunnen doen, ga dan werken met minstens vijf hypothesen. Hypothese 1 zou bijvoorbeeld kunnen zijn: deze leerling vertoont symptomen of gedragingen die binnen de DSM het label ADHD hebben gekregen. Maar daarnaast liggen er in de breedte van de context allerlei andere mogelijke oorzaken van het gedrag of de problemen. Kijk niet bij de kracht van de eigen pedagogische en didactische context vandaan, door (te) snel andere professionals de diagnose, zorg en behandelstrategie over te laten nemen. Neem weerstand niet weg – dat kan immers nooit genoeg, maar leer kinderen ermee omgaan en ondersteun hen daarin: we doen het samen. Stel het kind centraal door het juist niet de hele dag centraal te stellen en niet altijd te geven wat het nodig heeft.

Word als de brandweer

Als de brandweer wordt ingeschakeld, begint de eerstverantwoordelijke ploeg met blussen. Als het nodig is, wordt andere expertise opgepiept. Die komt alleen onder de voorwaarde dat degene die als eerste kwam blijft blussen. Ga zo ook om met specialisten rondom de school. Verbreek de pedagogische relatie niet. Daarbinnen blijven verwachtingen hoog. Een specialist is welkom, maar alleen als die blijft helpen in die oorspronkelijke pedagogische relatie.

Inclusief onderwijs = goed onderwijs

Uiteindelijk is inclusief onderwijs niets anders dan (de uitkomst van) heel goed onderwijs. Dat er van elke leerling hoge verwachtingen zijn, ingebed in de pedagogische relatie waarin ieder kind echt wordt gezien.

Wat kun je doen om dat goede onderwijs te bieden?

  1. Straal in alles uit: kinderen en jongeren gaan zich welbevinden doordát ze in onderwijs zijn.
  2. Stel kinderen niet centraal: bied weerstand, ze hoeven zich niet de hele dag goed te voelen etc.
  3. Bied schoolverbondenheid Raniti, M., Rakesh, D., Patton, G.C. & Sawyer, S. (2022). The role of school connectedness in the prevention of youth depression and anxiety: a systematic review with youth consultation. BMC Public Health, 22(1), 2152. http://dx.doi.org/10.1186/s12889-022-14364-6(waarin leerlingen onderdeel zijn van het schoolse gebeuren, erbij horen, ertoe doen) en academische steun Deze factor kwam naar voren als cruciaal in een onderzoek vanuit het lectoraat Jeugd van Hogeschool Windesheim - publicatie volgt nog.(waarin leerlingen gezien worden en ondersteund binnen een sterke pedagogische relatie). Dit is veel belangrijker dan bijvoorbeeld het geven van van lessen in mentale gezondheid.
  4. Stel altijd meerdere hypothesen, nooit 1.
  5. Kijk kritisch naar je onderwijs: a) hoe verandert je populatie? b) wat betekent dit voor jouw onderwijs Onder andere doordat kinderen al jong veel tijd doorbrengen op bijvoorbeeld IPads, zijn de zelfregulerende vaardigheden van kleuters verslechterd (punt a: analyse van de populatie). Dit betekent voor het onderwijs dat het goed kan zijn om kleuters dergelijke zelfregulerende vaardigheden te leren ontwikkelen. Door ze te frustreren, te leren omgaan met prikkels, weerstand te bieden etc.in jouw context, waarbij je de verwachtingen dus hoog houdt c) haal de breinaald door de OPP/TLV aanvragen.
  6. Spreek ouders aan als groepbijvoorbeeld via het ouderavondspel: https://goudvisie.nl/serious-gaming/ouderavondspel/.

Over hoop

Laat varen de hoop…?

'De nadruk op mentale kwetsbaarheid van jongeren is contraproductief in mijn ogen. Een zorgzame samenleving zorgt voor hoop en optimisme, zet in op kansen bieden opdat jongeren zich positief kunnen ontwikkelen en kunnen floreren', aldus Ashley Frawley (2022).Frawley, A. (2022). Significant Emotions. Rhetoric and Social Problems in a Vulnerable Age. London: Bloomsbury. Een voorwaarde voor hoop is ruimte, ook om af te wijken. Ruimte voor verbeelding, in de geest, tussen mensen. Daar is scheppende kracht en dus hoop. Kan je je een andere wereld voorstellen, in plaats van de wereld die je construeert op basis van alle beelden die op je afkomen?

Dus, zo eindigt Wienen zijn betoog: gooi uw onderwijs over HOOP. Met aandacht voor de spatie, de ruimte. Dan komt het inclusie-ideaal een stapje dichterbij.

Eduwiek

Aansluitend aan Wienen deelt Albert Weishaupt (bestuurder van het Roelof van Echten College in Hoogeveen) een praktijkverhaal over Eduwiek. In één pand komen speciaal en regulier onderwijs samen. Weishaupt vertelt over de tocht naar inclusiever onderwijs. Onder andere het belang van processen rondom agency en andere succesfactoren worden voor het voetlicht gebracht (zie o.a. het artikel dat hieronder te downloaden is).

Ook deelt hij een ontroerend verhaal over wat Eduwiek al heeft betekend voor een leerling met het syndroom van Down. Zij ging met haar ouders en broer naar een restaurant. Een van de serveersters kwam op de tafel af. Waar het meisje met Down vaak wordt genegeerd of niet serieus wordt genomen bij het opnemen van de bestelling, werd zij nu juist enthousiast begroet: 'hé, jij zit bij mij op school!' Dit leidde tot ontroering bij haar ouders. En bij Weishaupt tot moed om met rechte rug en vaste hand door te gaan op deze weg.

Bestanden

agency.pdf
5 February

Artikel delen

Meer artikelen

Als het spannend wordt...

Hoe om te gaan met pesten, gender issues, diversiteit, rouw? Laat je inspireren door Hans Bakker en Ronald de Graaf.

Leraren kunnen bloeien

Wat heb je nodig om een goede christelijke leraar te zijn en blijven? Hoe kom jíj tot bloei? Laat je inspireren door Bert Roebben & Bram de Muynck.